|
Vertegenwoordiging bij tegenstrijdig belang: the story continues…
Biedt de Hoge Raad de praktijk de mogelijkheid om aanwijzingsbesluit AvA achterwege te laten?
Wat zijn de gevolgen van het onbevoegd vertegenwoordigen wegens tegenstrijdig belang?
De Hoge Raad heeft op 21 maart jl. een beschikking gewezen tussen NSI en Uoti inzake vertegenwoordiging bij tegenstrijdig belang.
In deze zaak komen twee vragen aan de orde:
- als de statuten van een NV of BV bepalen dat een bestuurder bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen ook al heeft hij daarbij een tegenstrijdig belang, moet de AvA dan toch een besluit nemen om een vertegenwoordiger aan te wijzen?
- als een bestuurder namens een vennootschap handelt terwijl hij daartoe niet bevoegd was omdat hij daarbij een tegenstrijdig belang had, wat zijn dan daarvan de gevolgen voor die rechtshandeling?
Over de eerste vraag zegt de Hoge Raad het volgende.
Het bestuur heeft de plicht de AvA tijdig te informeren over aanwezigheid van een tegenstrijdig belang, zodat zij in de gelegenheid is haar aanwijzingsbevoegdheid uit te oefenen.
Het dwingendrechtelijke karakter van de tweede zin van artikel 2:256 BW brengt echter niet mee dat de geldigheid van de door een statutaire bepaling aan de bestuurder verleende vertegenwoordigingsbevoegdheid bij tegenstrijdig belang, afhankelijk zou zijn van een (uitdrukkelijk) besluit van de AvA tot aanwijzing van die bestuurder als vertegenwoordiger, althans van een besluit waarbij wordt afgezien van aanwijzing van een andere vertegenwoordiger dan die bestuurder.
De tweede vraag beantwoordt de Hoge Raad als volgt. Onbevoegde vertegenwoordiging wegens een tegenstrijdig belang leidt tot niet-gebondenheid van de vennootschap aan de rechtshandeling.
Ten opzichte van de vennootschap is zij ongeldig, of anders uitgedrukt, nietig. De rechtshandeling is dus niet slechts vernietigbaar.
Om die reden is er geen sprake van een vordering tot vernietiging die op grond van artikel 3:52 BW vatbaar is voor verjaring.
Een beroep op die ongeldigheid kan echter onder bijzondere omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, vanwege de ingrijpende gevolgen die voor de wederpartij aan een geslaagd beroep zijn verbonden.
Wat betekent deze uitspraak nu voor de praktijk?
Betekent deze uitspraak nu dat, wanneer "het tegenstrijdig belang in de statuten is weggeschreven", raadpleging van de AvA achterwege kan blijven? Die conclusie gaat te ver.
De Hoge Raad wijst uitdrukkelijk op de verplichting van het bestuur de AvA tijdig te informeren over aanwezigheid van een tegenstrijdig belang. Dat er vervolgens geen aanwijzingsbesluit (dan wel een besluit waarbij wordt afgezien van aanwijzing) behoeft te worden genomen, brengt de wederpartij niet veel verder.
Hoe kan zij immers controleren of het bestuur de AvA heeft ingelicht, anders dan via een besluit van die AvA?
Deze uitspraak betekent wel dat er nu in beginsel duidelijkheid is over de gevolgen van onbevoegde vertegenwoordiging (wegens tegenstrijdig belang): een beroep van de vennootschap op de ongeldigheid van die rechtshandeling vervalt niet door verjaring.
De Hoge Raad tracht kennelijk de scherpe kantjes van die regel af te halen door te bepalen dat de vennootschap geen beroep op die ongeldigheid kan doen in situaties waarin dat voor de andere partij bijzonder onredelijk zou uitpakken. Dat zijn en blijven echter uitzonderingen op de regel.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Desirée van der Heuvel,
Praktijkgroep Ondernemingsrecht.
Terug naar de nieuwsbrief »
|