|
Hoge Raad vernietigt uitspraak Ondernemingskamer DSM loyaliteitsdividend
De Hoge Raad heeft onlangs een eerdere uitspraak van de Ondernemingskamer vernietigd.
De Ondernemingskamer bepaalde maart jl. dat DSM geen loyaliteitsdividend mocht invoeren.
Nadat geen van de betrokken partijen hiertegen in beroep ging, stelde procureur generaal Timmerman beroep in het belang der wet in.
Volgens de Ondernemingskamer zou invoering van loyaliteitsdividend in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel van aandeelhouders zoals dat is opgenomen in artikel 2:92 lid 1 BW.
De Hoge Raad heeft nu aangegeven dat artikel 2:92 lid 1 BW zich niet verzet tegen een regeling in de statuten waarbij aan geregistreerde aandeelhouders onder bepaalde voorwaarden een financiële uitkering (zoals aanvullend dividend) wordt toegekend, tenzij de regeling een schending oplevert van het in art. 2:92 lid 2 BW neergelegde gelijkheidsbeginsel.
Tevens bevestigt de Hoge Raad dat de Ondernemingskamer een voorlopige voorziening mag treffen voordat zij op het verzoek tot het instellen van een onderzoek heeft beslist.
Er dient echter van deze bevoegdheid in een dergelijke stand van de procedure slechts terughoudend gebruik te worden gemaakt.
In dit specifieke geval oordeelt de Hoge Raad dat de noodzaak voor het treffen van een voorlopige voorziening niet volgt uit de door de Ondernemingskamer vastgestelde feiten.
Nu de eerste uitkering van loyaliteitsdividend pas in 2010 zou plaatsvinden, valt volgens de Hoge Raad niet in te zien waarom in dit geval de uitkomst van de stemming hierover in de algemene vergadering van aandeelhouders van DSM niet kon worden afgewacht.
Overigens kan de vernietiging van de uitspraak van de Ondernemingskamer in dit geval geen nadeel toebrengen aan de rechten van de betrokken partijen, nu het gaat om een cassatie in het belang der wet.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Joost Kolkman,
Praktijkgroep Ondernemingsrecht.
Terug naar de nieuwsbrief »
|