|
In onze nieuwsbrief van juni 2008 kwamen de toezichtverhoudingen (het interne toezicht, als tegenovergestelde van de externe rol van DNB en AFM) in de pensioensector aan de orde.
Daarbij werd een uitspraak van de ondernemingskamer aangekondigd. Die staat inmiddels op de website van Van Doorne.
Invalshoek daarbij is de vraag welke beperkingen mogen worden gesteld aan de krachtsverhoudingen binnen een orgaan van een rechtspersoon, met name als het op besluitvorming aan komt.
Dat is een belangrijk aspect voor iedere toezichthouder.
Immers, zonder gezonde zeggenschapsverhoudingen tussen de verschillende belanghebbenden zit de rechtspersoon welhaast per definitie in lastig vaarwater.
Terug naar de achtergrond.
Pensioenfondsen (bedrijfstak en ondernemings) moeten sinds 1 januari 2008 een zogenaamd verantwoordingsorgaan (VO) hebben.
Dat VO vindt zijn grondslag in de Principes voor Goed Pensioenfondsbestuur van de STAR van eind 2005.
De naam zegt het al: het VO is het orgaan waaraan een pensionfondsbestuur verantwoording aflegt.
Net als in andere branches waar de stichting de organisatievorm bij uitstek is ontbreekt immers de aandeelhoudersvergadering.
Het VO kent een tripartite samenstelling: vertegenwoordigers van actieve deelnemers, pensioengerechtigden en de betrokken werkgever(s).
Dat spoort met de samenstelling van de eventuele deelnemersraad van het pensioenfonds (de ondernemingsraad voor pensioenkwesties) en die van het bestuur.
Maar hoe moeten die drie geledingen tot besluiten komen? De Principes zwijgen daarover, behoudens ten aanzien van het specifieke besluit een
enqûeteverzoek in te dienen bij de ondernemingskamer (zoals ook aandeelhouders dat onder omstandigheden kunnen).
Daarvoor schrijven de Principes een gekwalificeerde meerderheid voor.
Maar ten aanzien van gewone besluiten, zoals bijvoorbeeld het jaarlijkse besluit een bepaald oordeel over het bestuursbeleid uit te spreken?
Mag het bestuur van het fonds, dat de taak had het VO in te stellen, bepalen dat elk besluit de betrokkenheid vergt van tenminste
één vertegenwoordiger van alle drie geledingen (of van alle vier, als het bestuur vindt dat de inactieve deelnemers,
de zogenaamde slapers, ook mee mogen doen in het VO)?
De Principes zwijgen.
De Ondernemingskamer (zie paragraaf 3.5 van de beschikking) meent dat de handelwijze van het bestuur de toets der kritiek kan doorstaan.
Volgens de rechter schrijven de Principes geen specifieke (andere) oplossing voor, en blijkt uit de wetsgeschiedenis van het betrokken deel van de Pensioenwet
dat het bestuur bij het inrichten van het VO in grote mate de vrije hand had; zelfregulering vormt het uitgangspunt van de wetgever.
Wel vormen de eisen van redelijkheid en billijkheid volgens de Ondernemingskamer de grens aan de vrijheid van het bestuur.
De rechter wil weliswaar aannemen dat een manier van besluiten nemen waarbij iedere aanwezige een stem heeft
(besluiten bij enkelvoudige meerderheid) de "normale" manier van besluiten nemen is.
Maar tegelijkertijd vindt de rechter dat de door het bestuur van het pensioenfonds gekozen vorm van besluitvorming niet zodanig afwijkt van de normale vorm, dat het bestuur reeds daarom fout zat.
Bij dat oordeel kent de ondernemingskamer het nodige gewicht toe aan het feit dat geen sprake is van een (verkapt) individueel vetorecht.
En aan de gedachte dat belangenbehartiging (dat doen de diverse geledingen in het VO immers) niet per definitie tot onredelijkheid hoeft te leiden,
zodat een zeggenschapsverdeling methodiek die daarvan uitgaat niet nodig is.
De zaak vormt een mooi voorbeeld van legitieme afwijking van gebruikelijke besluitvormingsprincipes.
Met de desbetreffende mogelijkheden en grenzen kan de toezichthouder zijn voordeel doen.
Niet iedere combinatie van belanghebbenden vergt immers dezelgde oplossing.
Aan het belang van deze - door Van Doorne bepleite - uitspraak doet niet af dat hier sprake is van een bijzondere situatie,
in die zin dat de wet (de Pensioenwet in dit geval) de kwestie ongeregeld liet.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Albert van Marwijk Kooy,
Marktgroep Financiële Instellingen.
Terug naar de nieuwsbrief » |