|
Op 1 augustus 2008 is de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) in werking getreden.
Deze wet vervangt de Wet identificatie bij dienstverlening (WID) en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet MOT).
Hierdoor wordt het voor instellingen die te maken hebben met de anti-witwaswetgeving gemakkelijker om inzicht te krijgen in de verplichtingen waaraan zij moeten voldoen.
Het gaat niet alleen om een samenvoeging van twee oude wetten. Er zijn ook nieuwe bepalingen.
Voor deze nieuwe bepalingen geldt tot 1 januari 2009 een coulanceregeling.
De aanpassingen strekken tot implementatie van de Europese Richtlijn ter voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme
(nr. 2005/60/EG, de zgn. derde witwasrichtlijn) en de richtlijn tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen
(nr. 2006/70 van de Commissie).
De derde witwasrichtlijn introduceert een 'risicogeoriënteerde benadering'.
Instellingen krijgen daarmee meer vrijheid bij het cliëntenonderzoek.
De mate van onderzoek is mede afhankelijk van het risico dat een bepaald type cliënt, relatie,
product of transactie oplevert in verband met witwassen van geld of financiering van terrorisme.
Dienstverlening aan buitenlandse rechtspersonen en aan cliënten van trustkantoren worden in de wetsgeschiedenis
als voorbeelden genoemd van dienstverlening die grotere risico's opleveren.
In de praktijk zal daarom bij deze dienstverlening meer aandacht aan het cliëntenonderzoek moeten worden besteed.
Belangrijke versoepelingen zijn: in bepaalde gevallen geen verplichting tot voltooiing
identificatie voor aanvang van de daadwerkelijke dienstverlening, identificatie van rechtspersonen op basis van online
informatie van de Kamer van Koophandel, het schrappen van de verplichting om de vertegenwoordiger te identificeren en geen
identificatieplicht voor diensten met een zeer laag risico (b.v. belastingaangiften en consumentenkredieten).
Daarnaast zijn ook enkele aanvullende verplichtingen geïntroduceerd, zoals de verplichting om in risicovolle gevallen
vast te stellen wie de uiteindelijke belanghebbende is en de verplichting om in bepaalde gevallen de activiteiten van de
cliënt gedurende de relatie te controleren en de herkomst van gelden te achterhalen.
Nieuw is ook dat voor financiële instellingen de mogelijkheid is geïntroduceerd dat gebruik kan worden gemaakt van de
identificatiegegevens van een andere financiële onderneming. De betreffende instelling hoeft dan geen eigen cliëntenonderzoek
te verrichten. De instelling die een cliënt bij een andere instelling introduceert, is verplicht op grond van de wet de identificatie - en verificatiegegevens
inzake de identiteit van de cliënt of de uiteindelijke belanghebbende ter beschikking te stellen aan de andere instelling.
De fiscale verplichting voor financiële instellingen om een kopie te bewaren van het identificatiedocument is overigens geschrapt.
Volgens de WWFT moeten de gegevens van het document slechts worden vastgelegd en is een kopie van het paspoort niet meer nodig.
AFM en DNB hebben aangekondigd dat zij tot uiterlijk 1 januari 2009 coulance zullen betrachten bij de handhaving van de nieuwe bepalingen van de WWFT.
Voorwaarde is wél dat de instellingen er alles aan doen om zo spoedig mogelijk na 1 augustus 2008, maar uiterlijk 1 januari 2009 aan alle regels te voldoen.
De coulance ziet uitdrukkelijk niet op de verplichtingen uit de WID en de Wet MOT voor zover deze ongewijzigd in de WWFT zijn overgenomen.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Arno Voerman,
Marktgroep Financiële Instellingen.
Terug naar de nieuwsbrief »
|