|
Een concurrentiebeding waarin een werknemer wordt beperkt in zijn werkzaamheden na het einde van de arbeidsovereenkomst, moet op grond van artikel 7:653 lid 1 BW schriftelijk worden overeengekomen.
Dit schriftelijkheidsvereiste is een bijzondere waarborg dat de werknemer de consequenties van het concurrentiebeding goed heeft overwogen. Dit blijkt uit verschillende uitspraken van de Hoge Raad (HR).
Zo ook in een uitspraak van 28 maart 2008, waarin het schriftelijkheidsvereiste nader is ingevuld.
De HR stelde dat aan het schriftelijkheidsvereiste in ieder geval is voldaan als de werknemer een arbeidsovereenkomst of een ander document waarin een concurrentiebeding is opgenomen heeft ondertekend.
In de zaak van 28 maart jl. ging het om een werknemer, die sinds zijn indiensttreding in 1987 gebonden was aan een concurrentiebeding dat opgenomen was in de arbeidsvoorwaarden.
In 1997 ontving de werknemer een nieuwe arbeidsvoorwaardenregeling, met daarin nog steeds een concurrentiebeding, met welke arbeidsvoorwaarden hij zich door ondertekening van een brief akkoord verklaarde.
De werknemer had op die brief zelfs handgeschreven toegevoegd: "deze zijn door mij geaccordeerd".
Toen de werknemer in 2006 zijn arbeidsovereenkomst opzegde om in dienst te treden bij een concurrent van de werkgever, ontstond een geschil over de toepasselijkheid van het concurrentiebeding.
De werknemer stelde dat hij in 1997 slechts een brief en niet de bijgevoegde arbeidsvoorwaarden had ondertekend, zodat aan het schriftelijkheidsvereiste niet was voldaan.
De HR stelde dat aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan, wanneer in een brief (of in een arbeidsovereenkomst) wordt verwezen naar bijgevoegde arbeidsvoorwaarden waarin een concurrentiebeding is opgenomen én de werknemer zich door ondertekening van die brief (of de arbeidsovereenkomst) akkoord verklaart met die arbeidsvoorwaarden.
Voor de geldigheid van het concurrentiebeding was in dit geval niet vereist dat werknemer de bijgevoegde arbeidsvoorwaarden, waarnaar de brief verwees, zelf heeft ondertekend en ook niet dat de akkoordverklaring op de brief uitdrukkelijk naar de aanvaarding van het concurrentiebeding verwees.
De HR merkte nog wel op dat niet aan het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:653 BW wordt voldaan in die gevallen, waarin de werknemer zich schriftelijk akkoord verklaart met de inhoud van een niet als bijlage in schriftelijke vorm bijgevoegd document waarin een concurrentiebeding voorkomt, tenzij de werknemer daarbij uitdrukkelijk verklaart dat hij met het concurrentiebeding instemt.
Geconcludeerd moet worden dat nu in dit geval de werknemer de arbeidsvoorwaarden met daarin vervat het concurrentiebeding op schrift had ontvangen, hij de consequenties daarvan goed heeft kunnen overwegen (HR 28 maart 2008, LJN BC0384).
Dit arrest van de Hoge Raad biedt de werkgever dus meer ruimte dan tot nu toe werd aangenomen om het concurrentiebeding schriftelijk met de werknemer overeen te komen.
Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met mr. Marjolijn Lips, Praktijkgroep Arbeidsrecht.
Terug naar de nieuwsbrief » |